Ik draag mijn inauguratiespeech op aan de buitenbeentjes van Tilburg. / Zo meteen zal ik een bezield en romantisch betoog houden, maar eerst ga ik even mopperen, het is niet anders. Wellicht is het te wijten aan een karakterfout, maar dan wel een waar ik goed mee uit de voeten kan. Door het donker naar het licht. Ik heb een minuut of twintig nodig, dus ga er maar eens goed voor zitten. Soms val ik wellicht in herhaling; dat heeft niet alleen een retorische functie, het dient ook een therapeutisch doel. / Het gemiddelde maandsalaris van een mannelijke medewerker van het bkkc, het Brabants Kenniscentrum Kunst en Cultuur, bedraagt ruim € 4.300,-. Ik citeer uit het jaarverslag over 2017, het laatste jaarverslag voor de bromance met Kunstbalie. € 4.300,- per maand. Daar komen vakantiedagen bij, en vakantiegeld, een bijdrage in de verzekering voor arbeidsongeschiktheid en werkloosheid, een pensioenbijdrage, ontslagbescherming, reiskosten en vast nog enkele secundaire arbeidsvoorwaarden. Kwantificeer ik het voorgaande rijtje, dan kom ik uit op minimaal € 5.300,- per maand. / Het gemiddelde salaris, de naam zegt het al, middelt de salarissen van alle medewerkers, dus ook die van het administratief en ondersteunend personeel. Hoe dichter op de inhoud, hoe hoger het inkomen. Ik ben daar blij mee, en dat meen ik, want het is een indicatie dat kunst en cultuur, het domein waar de medewerkers van het bkkc zich dagelijks met veel passie op storten, belangrijk is. / De importantie wordt ook explicíét benadrukt door het instituut – op de site, op vrijwel elke pagina van het jaarverslag. Kunst draagt bij aan ontmoeting en verbinding. Kunst inspireert en verrijkt het leven. Kunst vormt de voedingsbodem voor nieuwsgierigheid, verbazing en verbeelding. Kunst zorgt voor een bruisend cultureel klimaat en vormt een vliegwiel voor economische groei en sociale aantrekkingskracht. Maar ook: Kunst opent, versterkt en verscherpt het debat; kunstenaars moeten controversieel zijn, schuren, een tegendraads standpunt innemen. Kortom, volop lof voor de kunsten. En ook daar ben ik blij mee. / De gemeente Tilburg gebruikt in haar jaarverslag vergelijkbare superlatieven als het om kunst en cultuur gaat; de hoogte van de salarissen van de medewerkers die zich met dit o zo belangrijke domein bezighouden heb ik niet kunnen achterhalen. Het zullen voor het merendeel hoogopgeleiden zijn, vergelijkbaar met hun collega’s bij het bkkc. / € 5.300,- per maand. Als stadsdichter van Tilburg krijg ik € 3.600,-. Per jaar. Bruto. Dat is € 300,- per maand. Geen vakantiegeld, geen pensioenbijdrage, geen doorbetaling bij arbeidsongeschiktheid, vul het rijtje zelf maar aan – voor die luxe ben ik als zzp’er zelf verantwoordelijk. Gezien de van de daken geschreeuwde importantie van kunst is dat bedrag natuurlijk bizar, lachwekkend laag. Hoe dicht kun je op de inhoud zitten… / Ik had me van tevoren niet verdiept in de financiën, en dat is maar goed ook, want anders had ik de functie waarschijnlijk geweigerd. Nu ik ben benoemd, kan ik deze misstand adresseren, want mijn voorgangers hebben dit voor zover ik heb kunnen nagaan niet gedaan, hun ambities pasten blijkbaar in de beschikbare vergoeding. / Deze karige beloning is geen incident, helaas, het is eerder regel dan uitzondering. Het overgrote deel van het publieke geld dat wordt besteed aan kunst gaat naar instellingen; naar dure panden en prima salarissen, níét naar de kunstenaars. Cynisch gezegd: de kunstenaars legitimeren met hun werk het bestaan van de instellingen, de banen van de medewerkers, de hoge status van het o zo belangrijke domein – en daar krijgen ze bar weinig voor betaald. Velen schikken zich daarin, veelal uit noodzaak. Ik soms ook, want ik moet wel elke maand mijn huur kunnen betalen. / Diezelfde instellingen hebben een naam bedacht voor kunstenaars, een naam die de machtsverhouding wat mij betreft perfect illustreert: makers. Ik weet niet hoe andere kunstenaars deze term ervaren, maar ik vind die ronduit beschamend, denigrerend, getuigen van misplaatste superioriteit, al dan niet gevoed door de grote inkomensongelijkheid. ‘Kunstenaars zijn meesters, geen gezellen’ – een citaat van Danill Charms en de Oberioeten, een collectief van Russische kunstenaars dat zich een kleine eeuw geleden sterk maakte voor het experiment in de kunst. Makers… ‘Juist het immateriële vormt de essentie van kunst’ – een citaat van mij. / Tilburg heeft sinds enkele jaren een Makersfonds, dat is opengesteld voor professionele kunstenaars. Niet voor amateurs, dat wordt nadrukkelijk vermeld, en toch gaat het maar om een beperkt bedrag, enkele duizenden euro’s per project. Een maker mag één aanvraag per jaar doen, en valt hij twee jaar achtereen in de prijzen, dan is hij even af. Het subsidieverzoek wordt beoordeeld door ambtenaren, niet door collega-kunstenaars, en een van de criteria die ze bij de selectie hanteren is dat het project belang moet hebben voor Tilburg. Ik ken verschillende kunstenaars die op basis van dit criterium zijn afgewezen, ik geef straks het podium aan een van hen. / En daarmee kom ik op een andere misstand die ik wil adresseren, of laat ik een andere term gebruiken: een misverstand, dat klinkt constructiever. Zowel het bkkc als de gemeente Tilburg proberen richting te geven aan het werk van de kunstenaars; zij formuleren inhoudelijke subsidievoorwaarden, criteria die sturend zijn, convergerend. ‘Positief’ bedoelde pedagogiek of niet, kunstenaars worden daarmee min of meer ingeënt tegen moeilijke of subversieve onderwerpen. / Nu kun je opmerken: wie betaalt bepaalt, dus niet zeuren, maar kunst moest toch schuren, kunst moest toch het debat verscherpen, divergeren… Kunstenaars worden maar al te vaak ingezet voor stadspromotie of als smeerolie om beleid beter te laten landen – een dansje hier, een deuntje daar. Ze verworden zo tot ordonnans van de subsidieverstrekker. Ongemakkelijke kunst past niet in dat plaatje. Lollig en ongevaarlijk moet het zijn. Kunstenaars kunnen overigens de hulp inschakelen van specialisten die voor hen de subsidieaanvraag opstellen, op no cure no pay-basis; zij kennen de clichés die de subsidieverstrekkers willen horen. De pap wordt daardoor nog dunner, financieel en – veel belangrijker – inhoudelijk. / Kunstenaars die wél de anomie vieren, die durven te experimenteren, die grenzen durven te overschrijden, creëren daarmee speelruimte, in alle opzichten; zij zorgen er mede voor dat het elastiek van de democratie niet gaat knellen, dat het kritisch vermogen op peil blijft, dat het populisme niet explodeert. Kunstenaars vormen de artistieke dwarsbalk in het wapenschild van de vrije samenleving. Kunst is geen ornament, maar een fundament. Grote woorden, inderdaad, maar ze kunnen wat mij betreft niet groot genoeg zijn. / Een heilig ontzag voor kunstenaars is overigens niet nodig, niet wenselijk ook, maar kunstenaars zijn meestal wel een van de eersten die worden opgepakt wanneer een repressief regime aan de macht komt. ‘De macht houdt niet van een andere macht’ – een axioma van Gustave Flaubert, ik kwam het afgelopen week tegen tijdens het lezen van Haat is een deugd, een jaloersmakend goed boek – ga er naar op zoek op de boekenmarkt! In Nederland word je als kunstenaar niet snel opgepakt, maar de lightversie ervan komt weldegelijk voor – waarover zo dadelijk meer. / Kunst is niet alleen eigenmachtig, kunst draagt een mystiek element in zich, een lofzang op de schoonheid, op het immateriële – ik zei het al eerder. Ook niet mis. De commerciële waarde is dan ook van ondergeschikt belang, misschien wel te verwaarlozen of zelfs helemaal niet te bepalen. Fervente aanhangers van marktwerking gruwelen bij deze woorden. Dat mag, uiteraard. Ik weet niet of ze wel eens naar de commerciële omroepen kijken… / Ik ben bijna klaar met mopperen, nog even geduld. / Marktwerking. Ik ben econoom, dus ik weet er het nodige van, ik weet hoe de hazen lopen. Ik ben bovendien niet lui en ik doe mijn uiterste best om mijn eigen broek op te houden. Maar dat valt niet mee, ondanks een gestage productie, lovende recensies, nominaties, enkele prijzen en geslaagde tv-optredens. / Een van de redenen is dat ik als schrijver onderwerpen kies die velen als ongemakkelijk ervaren, als controversieel bestempelen, als no go-area. Mensen vereenzelvigen mij met die onderwerpen, hebben daar een moreel oordeel over, worden bang of agressief, en dus lopen ze met een wijde boog om mij heen, duwen me weg of bedreigen me met de dood. Dat laatste is gelukkig al een tijdje niet voorgekomen. Ik kan best tegen een beetje stank, maar er zijn grenzen. / Zoals de meesten van jullie wellicht weten, ben ik vanwege mijn werk diverse keren aan de kant gezet of ontslagen, ook door instellingen die de vrijheid van meningsuiting, kunst en cultuur hoog in het vaandel hebben staan – ziehier de lightversie van oppakken en opsluiten. Toen het bestuur van onderwijsinstelling Fontys mij op staande voet ontsloeg, omdat ik in hun ogen als schrijver te controversieel was en daardoor niet geschikt om les te geven aan volwassen Hbo-studenten die zich voorbereiden op een baan in de creatieve industrie – hoe kun je dit met droge ogen verdedigen? –, stelde Matthijs Rümke zaliger, destijds artistiek leider van het Zuidelijk Toneel, een protestpetitie op. Twee in Tilburg gevestigde instellingen weigerden om die te ondertekenen: Bibliotheek Midden-Brabant en het bkkc. Wenselijkheid en werkelijkheid delen slechts elf van de dertien letters, een dekkingsgraad van 85%. / Bkkc-directeur Chris van Koppen schreef mede naar aanleiding van mijn ontslag en mijn kritiek op zijn niet-ondertekenen het volgende op de site van zijn instelling, de verklaring staat nog altijd online: ‘Een principiële houding heeft ook consequenties. Daarbij strijk je ook mensen tegen de haren in, die besluiten dat ze bijvoorbeeld niet meer met je samen willen werken. Dat is de prijs die je betaalt voor principes. Die hoort erbij. Je kunt niet principieel zijn, maar de consequenties daarvan niet willen aanvaarden.’ / Ergo: breng je in de praktijk wat het bkkc en de gemeente als dé kracht van kunst bestempelen, dan kun je een (maatschappelijke) carrière vergeten, dat hoort erbij, wen er maar aan, niks aan te doen – eigen schuld, dikke bult. / Een gesprek met een zenuwachtige Chris van Koppen volgde, ik geloof dat we afspraken in etablissement Raw. Hij bedoelde het niet zo, het lag genuanceerder, hij was een liefhebber van mijn werk. Op het einde van het gesprek vroeg hij of ik bereid was als klankbord te fungeren om het beleid te helpen verbeteren. Die bereidheid was er, is er. Ik wacht echter al bijna twee jaar op de uitnodiging en ik verwacht niet dat die nog gaat komen, zeker niet na vandaag. Het zij zo. / Maar ik geef niet op, ik ga godverdomme dóór, immer overmoedig en onboetvaardig voorwaarts, noch complimenten noch verwijten zullen mij van koers doen wijzigen. (Ik ben vandaag in een activistische en bovenal optimistische bui. Overigens een oorzakelijk verband, pessimisme verlamt mijn geest.) / Over mijn financiën. Het ene jaar gaat het beter dan het andere, maar meestal red ik het net. Ook dit jaar lukt me dat, met dank aan het Nederlands Letterenfonds en opdrachten van Tilt en het Zuidelijk Toneel, al kan ik me nog altijd geen arbeidsongeschiktheidsverzekering en pensioenregeling permitteren. Een stressvol bestaan. / Vandaag begin ik aan een nieuwe klus, een zeer lucratieve klus, en die duurt maar liefst twee jaar: ik word stadsdichter van Tilburg! Met dank aan de stadsdichterscommissie, maar vooral aan kunstbroeder Nick J. Swarth en aan mijn assertieve, misschien zelfs wel tikkeltje agressieve opstelling. / Voor ik mijn plannen ontvouw, wil ik van de gelegenheid gebruik maken om ervoor te pleiten een dichter of kunstenaar in de stadsdichterscommissie op te nemen, en dan het liefst iemand die op professionele basis met zijn werk bezig is; zij of hij kan dan ook bewaken dat de beloning in verhouding staat tot de werkzaamheden, die veel verder gaan dan alleen het componeren van gedichten. / En nu dan eindelijk het bezield en romantisch betoog. Al was het voorgaande niet helemaal gespeend van bezieling en romantiek. En ik vrees dat het navolgende niet helemaal gevrijwaard zal zijn van gemopper, ik wees al eerder op mijn karakterfout, maar ik doe mijn best er een enthousiast verhaal van te maken. / Ik ben op de helft van mijn betoog. / Vijftig jaar geleden stierf Antony Kok, een van de eerste klankdichters van Nederland. In zijn meest productieve periode woonde hij in Tilburg. Met dat productieve viel het overigens wel mee, Koks oeuvre past in een bundeltje. Hoe dan ook, zijn werk was vernieuwend, inspirerend en invloedrijk. Dat geldt eveneens voor het tijdschrift waarvan hij medeoprichter was: De Stijl. De oplage was laag, driehonderd exemplaren, maar de impact enorm, wereldwijd. / Antony Kok was samen met Theo van Doesburg en Piet Mondriaan ook nauw betrokken bij het opstellen van een roemrucht manifest over de literatuur. Hierin pleitten ze voor vernieuwing; ze hadden genoeg van het vigerend moralisme, van het normatieve realisme – in mijn woorden: de werkelijkheid dient voor kunstenaars niet meer te zijn dan een trampoline. In 1920 publiceerden ze het manifest in De Stijl, volgend jaar dus een eeuw geleden, een moment om bij stil te staan. Ik citeer enkele passages, en die dienen als motto voor mijn stadsdichterschap / motto / Dan de inhoudelijke kapstok voor mijn stadsdichterschap: ‘de Tao van de T’ – met als ondertitel: ‘een odyssee’. Een zoektocht die niet alleen moet leiden tot spannende gedichten, tot discussie, maar ook tot een afsluitend manifest waarmee ik het Tilburgs literatuur- en kunstklimaat wil vernieuwen en verbeteren, Tilburg een nieuw ritme wil geven. Ja, ik trek een grote broek aan, en dat is zeer verstandig, want van een te kleine broek kun je impotent worden. / ‘De Tao van de T’ behelst voor mij ook een deconstructie van het stadsdichterschap, als pars pro toto voor de Tilburgse kunst. Is de stadsdichter te dienstbaar geworden aan de stad, verworden tot een makkelijk te bespelen instrument voor citymarketing, een schaamlap die moet verhullen dat kunst en cultuur helemaal niet zo hoog worden gewaardeerd als de beleidsdocumenten pretenderen? Is de stadsdichter verworden tot een pleasende pop die met zijn gezellige woordkunstjes het experiment, de ongemakkelijke, schurende kunst op afstand houdt? / Convergentie versus divergentie, idealisme versus opportunisme, angst versus assertiviteit, amateurisme versus professionaliteit – met ‘de Tao van de T’ verken ik deze assen. / De T. Het ingenium van Tilburg is ingedikt tot een symbool: de T. En die staat voor, ik citeer uit het handboek van de gemeente: ‘daadkracht’ en ‘doe maar gewoon’. Wat is ‘gewoon’? En waarom moet de Tilburger ‘gewoon’ doen? Behoorlijk convergerend dit, een verabsolutering van het midden, liever geen afwijkingen, liever geen buitenbeentjes. / En wat de denken van deze passage uit het handboek: ‘Wollige, omslachtig geformuleerde volzinnen passen niet bij Tilburg. Korte, kernachtige woordcombinaties past goed bij Tilburg.’ Opnieuw een bedenkelijke convergentie. En een joekel van een taalfout: het moet ‘passen’ zijn, niet ‘past’. ‘Korte, kernachtige woordcombinaties passen goed bij Tilburg.’ / Ik woon nu tweeëndertig jaar in deze stad en ik zie met terugwerkende kracht een tendens: de toenemende onderschatting van het niveau van de Tilburgers, een ontwikkeling die min of meer parallel loopt aan het oprukken van het met demiurgische overmoed gepropageerde doelgroepdenken – wíj weten wie de Tilburgers zijn en wíj weten wat ze willen. Dat leidt in mijn ogen tot talking down. In het Nederlands: we leggen de lat laag. / Een dieptepunt vormt voor mij het op last van de gemeente verbannen van een kunstwerk uit de openbare ruimte, tien jaar geleden alweer. Ik heb het over het door Jeroen de Leijer en Nick J. Swarth geschapen Horror Vacui. De veertien staties zouden volgens de gemeente wel eens niet-begrepen kunnen worden door de Tilburgers, of erger: de Tilburgers zouden er wel eens aanstoot aan kunnen nemen. (Wat is er mis met niet-begrijpen en aanstootnemen? En is aanstootnemen in zekere zin niet ook een vorm van begrijpen?) Over talking down gesproken. Na dit incident is er in de Tilburgse openbare ruimte niets ‘gevaarlijks’ meer gebeurd, helaas. Een Kabouter Buttplug past hier niet. Doe maar gewoon. / Voor de goede orde: de hardwerkende textielarbeider is een artefact uit een ver verleden, net zoals de mijnwerker uit mijn geboortestreek. En toch worden beide symbolen meer dan ooit gecultiveerd, domineren ze de visie op de inwoners – bewust en onbewust. Een culturele toe-eigening die getuigt van angst, van arrogantie, van een stuitende luiheid, een representatie ook van onverschilligheid. / Tilburgers zeiken niet meer in een kruik, ze urineren in een geëmailleerd toilet. Tilburg is allang geen textielstad meer, Tilburg is veeleer een onderwijsstad, een universiteitsstad, een horecastad, een muziekstad. Stop dus met het en masse uitdelen van worstenbroodjes en het vieren van de levenslieddictatuur. Er zijn genoeg Tilburgers die wél van wollige, omslachtig geformuleerde volzinnen houden. En er zijn ook genoeg Tilburgers die níét van ‘normaal doen’ houden, die willen afwijken van het veilige midden, die buitenbeentjes waarderen. En gelukkig maar. / Het beeldmerk van Tilburg is overigens beschermd, vervormingen zijn niet toegestaan. De T moet altijd wit zijn – wat is er mis met een kleurtje? En het vlak om de witte T is vast onderdeel van het logo, de letter mag niet afzonderlijk worden gebruikt. / Ik vraag me af wat er met de overtreders gebeurt? Het zou natuurlijk sjiek zijn als ze een gevangenisstraf zouden krijgen, maar dat is waarschijnlijk niet het geval. Ze krijgen een waarschuwing, en als ze dan nog niet luisteren, moeten ze met een kroontjespen en galnoteninkt de volgende zin honderd keer overschrijven in Vincents Tekenlokaal: / Wezenskenmerken als ‘daadkracht’ en ‘doe maar gewoon’ moeten goed voor het voetlicht komen; ze bepalen in belangrijke mate het ‘gezicht’ van de stad. / Terug naar ‘de Tao van de T’. Ik zal de komende twee jaar verschillende kunstdisciplines bij mijn plannen betrekken – poëzie is meer dan woorden, meer dan versregels. Althans dat hoop ik. Het is niet de bedoeling dat de odyssee ergens halverwege het karakter aanneemt van een exodus. We zullen zien. Dood gaan we toch, in de gloria of via de achterdeur. / Elke maand verschijnt er een gedicht én een adoptie/adaptatie. Dat laatste door telkens een andere Tilburgse kunstenaar – 24 in totaal dus. De adaptaties worden waar mogelijk live gepresenteerd en gefilmd – dat laatste neemt Tom Pijnenburg voor zijn rekening, ook wel bekend als de Virtuele Raspoetin . De performances worden meestal aangekondigd, maar soms ook niet. De gedichten, performances en aankondigingen zullen te vinden zijn op de site www.detaovandet.nl. / Ik zal mijn stadsdichterschap dus niet afsluiten met het presenteren van een papieren bundel – de geboorte van een stadsdichtersbundel is in de meeste gevallen tegelijkertijd de bijzetting ervan –, maar met het afleveren van een artistiek hoogwaardige en hopelijk inspirerende site. / De gedichten bevatten overigens de nodige subliminale boodschappen. U kunt dit opvatten als een waarschuwing of als een uitnodiging. Kijk maar. / Tot slot een zakelijke opmerking. Naast de vorstelijke vergoeding die ik ontvang voor mijn werk als stadsdichter heb ik de beschikking over een budget dat ik kan besteden aan het organiseren van enkele evenementen. Dat bescheiden budget gebruik ik om de kunstenaars waarmee ik ga samenwerken te betalen. Omdat ik ze fatsoenlijk wil honoreren, het zijn tenslotte professionals, is het budget niet toereikend. Donaties zijn dus welkom, mijn IBAN staat vermeld op de site – en ik beloof dat het geld volledig naar de kunstenaars gaat. / Ik heb nog een tweede financieringsbron. Elk van de gedichten verschijnt in een met de Risoprinter gedrukte oplage van vijftig stuks, genummerd en gesigneerd. Ze zijn te koop bij boekhandel Livius De Zevensprong voor € 10,- per stuk. / Het eerste stadsgedicht verschijnt vandaag in een afwijkende oplage (honderd exemplaren) en het is bovendien gratis, bij wijze van opwarmertje – met dank aan de Stichting Cools. De typografie is van Jeroen de Leijer, ook met dank aan de Stichting Cools. / En een derde financieringsbron: het gelegenheidsgedicht. Bestel er gerust eentje, al zal dat prijzig zijn, marktconform. De Nederlandse economie floreert. Al profiteert helaas niet iedereen daarvan, ook de voedselbank groeit. En het aantal daklozen neemt toe. / Het moment suprême is eindelijk aangebroken, de presentatie van het eerste stadsgedicht. Ik zal het niet voorlezen, ik ga er naar luisteren, het is dienstbaar aan de kunstenaar die zich erover heeft ontfermd. / Voor de aftrap heb ik iemand gekozen die ik zeer bewonder: Frank Crijns. Ik ken weinig muzikanten die zo avontuurlijk, bevlogen en veelzijdig zijn als hij – als componist en als gitarist. Ambient, avantgarde, beiaard, impro, jazz, kamermuziek, metal, modern klassiek, noise, prog, punk, rock – hij bestrijkt vrijwel het hele muzikale spectrum. En al zijn werk draagt het typische Frank Crijns stempel: dwars, innovatief, spannend, transgressief. / Hij heeft op verschillende continenten gespeeld, zijn werk is uitgevoerd door gerenommeerde ensembles en geroemd in binnen- en buitenland. Met zijn band Blast speelde hij in The Kitchen in New York en was daar even the talk of the town. In Tilburg, al meer dan dertig jaar zijn habitat, krijgt hij echter moeilijk voet aan de grond. Het Makersfonds heeft afgelopen jaar zijn subsidieverzoek afgewezen: hij wilde samenwerken met een visual artist uit Arnhem, en dat past niet binnen de criteria. / Ik voel me vereerd dat Frank zich heeft ontfermd over het eerste stadsgedicht en geef hem nu graag het podium.

Ik draag mijn inauguratiespeech op aan de buitenbeentjes van Tilburg. / Zo meteen zal ik een bezield en romantisch betoog houden, maar eerst ga ik even mopperen, het is niet anders. Wellicht is het te wijten aan een karakterfout, maar dan wel een waar ik goed mee uit de voeten kan. Door het donker naar het licht. Ik heb een minuut of twintig nodig, dus ga er maar eens goed voor zitten. Soms val ik wellicht in herhaling; dat heeft niet alleen een retorische functie, het dient ook een therapeutisch doel. / Het gemiddelde maandsalaris van een mannelijke medewerker van het bkkc, het Brabants Kenniscentrum Kunst en Cultuur, bedraagt ruim € 4.300,-. Ik citeer uit het jaarverslag over 2017, het laatste jaarverslag voor de bromance met Kunstbalie. € 4.300,- per maand. Daar komen vakantiedagen bij, en vakantiegeld, een bijdrage in de verzekering voor arbeidsongeschiktheid en werkloosheid, een pensioenbijdrage, ontslagbescherming, reiskosten en vast nog enkele secundaire arbeidsvoorwaarden. Kwantificeer ik het voorgaande rijtje, dan kom ik uit op minimaal € 5.300,- per maand. / Het gemiddelde salaris, de naam zegt het al, middelt de salarissen van alle medewerkers, dus ook die van het administratief en ondersteunend personeel. Hoe dichter op de inhoud, hoe hoger het inkomen. Ik ben daar blij mee, en dat meen ik, want het is een indicatie dat kunst en cultuur, het domein waar de medewerkers van het bkkc zich dagelijks met veel passie op storten, belangrijk is. / De importantie wordt ook explicíét benadrukt door het instituut – op de site, op vrijwel elke pagina van het jaarverslag. Kunst draagt bij aan ontmoeting en verbinding. Kunst inspireert en verrijkt het leven. Kunst vormt de voedingsbodem voor nieuwsgierigheid, verbazing en verbeelding. Kunst zorgt voor een bruisend cultureel klimaat en vormt een vliegwiel voor economische groei en sociale aantrekkingskracht. Maar ook: Kunst opent, versterkt en verscherpt het debat; kunstenaars moeten controversieel zijn, schuren, een tegendraads standpunt innemen. Kortom, volop lof voor de kunsten. En ook daar ben ik blij mee. / De gemeente Tilburg gebruikt in haar jaarverslag vergelijkbare superlatieven als het om kunst en cultuur gaat; de hoogte van de salarissen van de medewerkers die zich met dit o zo belangrijke domein bezighouden heb ik niet kunnen achterhalen. Het zullen voor het merendeel hoogopgeleiden zijn, vergelijkbaar met hun collega’s bij het bkkc. / € 5.300,- per maand. Als stadsdichter van Tilburg krijg ik € 3.600,-. Per jaar. Bruto. Dat is € 300,- per maand. Geen vakantiegeld, geen pensioenbijdrage, geen doorbetaling bij arbeidsongeschiktheid, vul het rijtje zelf maar aan – voor die luxe ben ik als zzp’er zelf verantwoordelijk. Gezien de van de daken geschreeuwde importantie van kunst is dat bedrag natuurlijk bizar, lachwekkend laag. Hoe dicht kun je op de inhoud zitten… / Ik had me van tevoren niet verdiept in de financiën, en dat is maar goed ook, want anders had ik de functie waarschijnlijk geweigerd. Nu ik ben benoemd, kan ik deze misstand adresseren, want mijn voorgangers hebben dit voor zover ik heb kunnen nagaan niet gedaan, hun ambities pasten blijkbaar in de beschikbare vergoeding. / Deze karige beloning is geen incident, helaas, het is eerder regel dan uitzondering. Het overgrote deel van het publieke geld dat wordt besteed aan kunst gaat naar instellingen; naar dure panden en prima salarissen, níét naar de kunstenaars. Cynisch gezegd: de kunstenaars legitimeren met hun werk het bestaan van de instellingen, de banen van de medewerkers, de hoge status van het o zo belangrijke domein – en daar krijgen ze bar weinig voor betaald. Velen schikken zich daarin, veelal uit noodzaak. Ik soms ook, want ik moet wel elke maand mijn huur kunnen betalen. / Diezelfde instellingen hebben een naam bedacht voor kunstenaars, een naam die de machtsverhouding wat mij betreft perfect illustreert: makers. Ik weet niet hoe andere kunstenaars deze term ervaren, maar ik vind die ronduit beschamend, denigrerend, getuigen van misplaatste superioriteit, al dan niet gevoed door de grote inkomensongelijkheid. ‘Kunstenaars zijn meesters, geen gezellen’ – een citaat van Danill Charms en de Oberioeten, een collectief van Russische kunstenaars dat zich een kleine eeuw geleden sterk maakte voor het experiment in de kunst. Makers… ‘Juist het immateriële vormt de essentie van kunst’ – een citaat van mij. / Tilburg heeft sinds enkele jaren een Makersfonds, dat is opengesteld voor professionele kunstenaars. Niet voor amateurs, dat wordt nadrukkelijk vermeld, en toch gaat het maar om een beperkt bedrag, enkele duizenden euro’s per project. Een maker mag één aanvraag per jaar doen, en valt hij twee jaar achtereen in de prijzen, dan is hij even af. Het subsidieverzoek wordt beoordeeld door ambtenaren, niet door collega-kunstenaars, en een van de criteria die ze bij de selectie hanteren is dat het project belang moet hebben voor Tilburg. Ik ken verschillende kunstenaars die op basis van dit criterium zijn afgewezen, ik geef straks het podium aan een van hen. / En daarmee kom ik op een andere misstand die ik wil adresseren, of laat ik een andere term gebruiken: een misverstand, dat klinkt constructiever. Zowel het bkkc als de gemeente Tilburg proberen richting te geven aan het werk van de kunstenaars; zij formuleren inhoudelijke subsidievoorwaarden, criteria die sturend zijn, convergerend. ‘Positief’ bedoelde pedagogiek of niet, kunstenaars worden daarmee min of meer ingeënt tegen moeilijke of subversieve onderwerpen. / Nu kun je opmerken: wie betaalt bepaalt, dus niet zeuren, maar kunst moest toch schuren, kunst moest toch het debat verscherpen, divergeren… Kunstenaars worden maar al te vaak ingezet voor stadspromotie of als smeerolie om beleid beter te laten landen – een dansje hier, een deuntje daar. Ze verworden zo tot ordonnans van de subsidieverstrekker. Ongemakkelijke kunst past niet in dat plaatje. Lollig en ongevaarlijk moet het zijn. Kunstenaars kunnen overigens de hulp inschakelen van specialisten die voor hen de subsidieaanvraag opstellen, op no cure no pay-basis; zij kennen de clichés die de subsidieverstrekkers willen horen. De pap wordt daardoor nog dunner, financieel en – veel belangrijker – inhoudelijk. / Kunstenaars die wél de anomie vieren, die durven te experimenteren, die grenzen durven te overschrijden, creëren daarmee speelruimte, in alle opzichten; zij zorgen er mede voor dat het elastiek van de democratie niet gaat knellen, dat het kritisch vermogen op peil blijft, dat het populisme niet explodeert. Kunstenaars vormen de artistieke dwarsbalk in het wapenschild van de vrije samenleving. Kunst is geen ornament, maar een fundament. Grote woorden, inderdaad, maar ze kunnen wat mij betreft niet groot genoeg zijn. / Een heilig ontzag voor kunstenaars is overigens niet nodig, niet wenselijk ook, maar kunstenaars zijn meestal wel een van de eersten die worden opgepakt wanneer een repressief regime aan de macht komt. ‘De macht houdt niet van een andere macht’ – een axioma van Gustave Flaubert, ik kwam het afgelopen week tegen tijdens het lezen van Haat is een deugd, een jaloersmakend goed boek – ga er naar op zoek op de boekenmarkt! In Nederland word je als kunstenaar niet snel opgepakt, maar de lightversie ervan komt weldegelijk voor – waarover zo dadelijk meer. / Kunst is niet alleen eigenmachtig, kunst draagt een mystiek element in zich, een lofzang op de schoonheid, op het immateriële – ik zei het al eerder. Ook niet mis. De commerciële waarde is dan ook van ondergeschikt belang, misschien wel te verwaarlozen of zelfs helemaal niet te bepalen. Fervente aanhangers van marktwerking gruwelen bij deze woorden. Dat mag, uiteraard. Ik weet niet of ze wel eens naar de commerciële omroepen kijken… / Ik ben bijna klaar met mopperen, nog even geduld. / Marktwerking. Ik ben econoom, dus ik weet er het nodige van, ik weet hoe de hazen lopen. Ik ben bovendien niet lui en ik doe mijn uiterste best om mijn eigen broek op te houden. Maar dat valt niet mee, ondanks een gestage productie, lovende recensies, nominaties, enkele prijzen en geslaagde tv-optredens. / Een van de redenen is dat ik als schrijver onderwerpen kies die velen als ongemakkelijk ervaren, als controversieel bestempelen, als no go-area. Mensen vereenzelvigen mij met die onderwerpen, hebben daar een moreel oordeel over, worden bang of agressief, en dus lopen ze met een wijde boog om mij heen, duwen me weg of bedreigen me met de dood. Dat laatste is gelukkig al een tijdje niet voorgekomen. Ik kan best tegen een beetje stank, maar er zijn grenzen. / Zoals de meesten van jullie wellicht weten, ben ik vanwege mijn werk diverse keren aan de kant gezet of ontslagen, ook door instellingen die de vrijheid van meningsuiting, kunst en cultuur hoog in het vaandel hebben staan – ziehier de lightversie van oppakken en opsluiten. Toen het bestuur van onderwijsinstelling Fontys mij op staande voet ontsloeg, omdat ik in hun ogen als schrijver te controversieel was en daardoor niet geschikt om les te geven aan volwassen Hbo-studenten die zich voorbereiden op een baan in de creatieve industrie – hoe kun je dit met droge ogen verdedigen? –, stelde Matthijs Rümke zaliger, destijds artistiek leider van het Zuidelijk Toneel, een protestpetitie op. Twee in Tilburg gevestigde instellingen weigerden om die te ondertekenen: Bibliotheek Midden-Brabant en het bkkc. Wenselijkheid en werkelijkheid delen slechts elf van de dertien letters, een dekkingsgraad van 85%. / Bkkc-directeur Chris van Koppen schreef mede naar aanleiding van mijn ontslag en mijn kritiek op zijn niet-ondertekenen het volgende op de site van zijn instelling, de verklaring staat nog altijd online: ‘Een principiële houding heeft ook consequenties. Daarbij strijk je ook mensen tegen de haren in, die besluiten dat ze bijvoorbeeld niet meer met je samen willen werken. Dat is de prijs die je betaalt voor principes. Die hoort erbij. Je kunt niet principieel zijn, maar de consequenties daarvan niet willen aanvaarden.’ / Ergo: breng je in de praktijk wat het bkkc en de gemeente als dé kracht van kunst bestempelen, dan kun je een (maatschappelijke) carrière vergeten, dat hoort erbij, wen er maar aan, niks aan te doen – eigen schuld, dikke bult. / Een gesprek met een zenuwachtige Chris van Koppen volgde, ik geloof dat we afspraken in etablissement Raw. Hij bedoelde het niet zo, het lag genuanceerder, hij was een liefhebber van mijn werk. Op het einde van het gesprek vroeg hij of ik bereid was als klankbord te fungeren om het beleid te helpen verbeteren. Die bereidheid was er, is er. Ik wacht echter al bijna twee jaar op de uitnodiging en ik verwacht niet dat die nog gaat komen, zeker niet na vandaag. Het zij zo. / Maar ik geef niet op, ik ga godverdomme dóór, immer overmoedig en onboetvaardig voorwaarts, noch complimenten noch verwijten zullen mij van koers doen wijzigen. (Ik ben vandaag in een activistische en bovenal optimistische bui. Overigens een oorzakelijk verband, pessimisme verlamt mijn geest.) / Over mijn financiën. Het ene jaar gaat het beter dan het andere, maar meestal red ik het net. Ook dit jaar lukt me dat, met dank aan het Nederlands Letterenfonds en opdrachten van Tilt en het Zuidelijk Toneel, al kan ik me nog altijd geen arbeidsongeschiktheidsverzekering en pensioenregeling permitteren. Een stressvol bestaan. / Vandaag begin ik aan een nieuwe klus, een zeer lucratieve klus, en die duurt maar liefst twee jaar: ik word stadsdichter van Tilburg! Met dank aan de stadsdichterscommissie, maar vooral aan kunstbroeder Nick J. Swarth en aan mijn assertieve, misschien zelfs wel tikkeltje agressieve opstelling. / Voor ik mijn plannen ontvouw, wil ik van de gelegenheid gebruik maken om ervoor te pleiten een dichter of kunstenaar in de stadsdichterscommissie op te nemen, en dan het liefst iemand die op professionele basis met zijn werk bezig is; zij of hij kan dan ook bewaken dat de beloning in verhouding staat tot de werkzaamheden, die veel verder gaan dan alleen het componeren van gedichten. / En nu dan eindelijk het bezield en romantisch betoog. Al was het voorgaande niet helemaal gespeend van bezieling en romantiek. En ik vrees dat het navolgende niet helemaal gevrijwaard zal zijn van gemopper, ik wees al eerder op mijn karakterfout, maar ik doe mijn best er een enthousiast verhaal van te maken. / Ik ben op de helft van mijn betoog. / Vijftig jaar geleden stierf Antony Kok, een van de eerste klankdichters van Nederland. In zijn meest productieve periode woonde hij in Tilburg. Met dat productieve viel het overigens wel mee, Koks oeuvre past in een bundeltje. Hoe dan ook, zijn werk was vernieuwend, inspirerend en invloedrijk. Dat geldt eveneens voor het tijdschrift waarvan hij medeoprichter was: De Stijl. De oplage was laag, driehonderd exemplaren, maar de impact enorm, wereldwijd. / Antony Kok was samen met Theo van Doesburg en Piet Mondriaan ook nauw betrokken bij het opstellen van een roemrucht manifest over de literatuur. Hierin pleitten ze voor vernieuwing; ze hadden genoeg van het vigerend moralisme, van het normatieve realisme – in mijn woorden: de werkelijkheid dient voor kunstenaars niet meer te zijn dan een trampoline. In 1920 publiceerden ze het manifest in De Stijl, volgend jaar dus een eeuw geleden, een moment om bij stil te staan. Ik citeer enkele passages, en die dienen als motto voor mijn stadsdichterschap / motto / Dan de inhoudelijke kapstok voor mijn stadsdichterschap: ‘de Tao van de T’ – met als ondertitel: ‘een odyssee’. Een zoektocht die niet alleen moet leiden tot spannende gedichten, tot discussie, maar ook tot een afsluitend manifest waarmee ik het Tilburgs literatuur- en kunstklimaat wil vernieuwen en verbeteren, Tilburg een nieuw ritme wil geven. Ja, ik trek een grote broek aan, en dat is zeer verstandig, want van een te kleine broek kun je impotent worden. / ‘De Tao van de T’ behelst voor mij ook een deconstructie van het stadsdichterschap, als pars pro toto voor de Tilburgse kunst. Is de stadsdichter te dienstbaar geworden aan de stad, verworden tot een makkelijk te bespelen instrument voor citymarketing, een schaamlap die moet verhullen dat kunst en cultuur helemaal niet zo hoog worden gewaardeerd als de beleidsdocumenten pretenderen? Is de stadsdichter verworden tot een pleasende pop die met zijn gezellige woordkunstjes het experiment, de ongemakkelijke, schurende kunst op afstand houdt? / Convergentie versus divergentie, idealisme versus opportunisme, angst versus assertiviteit, amateurisme versus professionaliteit – met ‘de Tao van de T’ verken ik deze assen. / De T. Het ingenium van Tilburg is ingedikt tot een symbool: de T. En die staat voor, ik citeer uit het handboek van de gemeente: ‘daadkracht’ en ‘doe maar gewoon’. Wat is ‘gewoon’? En waarom moet de Tilburger ‘gewoon’ doen? Behoorlijk convergerend dit, een verabsolutering van het midden, liever geen afwijkingen, liever geen buitenbeentjes. / En wat de denken van deze passage uit het handboek: ‘Wollige, omslachtig geformuleerde volzinnen passen niet bij Tilburg. Korte, kernachtige woordcombinaties past goed bij Tilburg.’ Opnieuw een bedenkelijke convergentie. En een joekel van een taalfout: het moet ‘passen’ zijn, niet ‘past’. ‘Korte, kernachtige woordcombinaties passen goed bij Tilburg.’ / Ik woon nu tweeëndertig jaar in deze stad en ik zie met terugwerkende kracht een tendens: de toenemende onderschatting van het niveau van de Tilburgers, een ontwikkeling die min of meer parallel loopt aan het oprukken van het met demiurgische overmoed gepropageerde doelgroepdenken – wíj weten wie de Tilburgers zijn en wíj weten wat ze willen. Dat leidt in mijn ogen tot talking down. In het Nederlands: we leggen de lat laag. / Een dieptepunt vormt voor mij het op last van de gemeente verbannen van een kunstwerk uit de openbare ruimte, tien jaar geleden alweer. Ik heb het over het door Jeroen de Leijer en Nick J. Swarth geschapen Horror Vacui. De veertien staties zouden volgens de gemeente wel eens niet-begrepen kunnen worden door de Tilburgers, of erger: de Tilburgers zouden er wel eens aanstoot aan kunnen nemen. (Wat is er mis met niet-begrijpen en aanstootnemen? En is aanstootnemen in zekere zin niet ook een vorm van begrijpen?) Over talking down gesproken. Na dit incident is er in de Tilburgse openbare ruimte niets ‘gevaarlijks’ meer gebeurd, helaas. Een Kabouter Buttplug past hier niet. Doe maar gewoon. / Voor de goede orde: de hardwerkende textielarbeider is een artefact uit een ver verleden, net zoals de mijnwerker uit mijn geboortestreek. En toch worden beide symbolen meer dan ooit gecultiveerd, domineren ze de visie op de inwoners – bewust en onbewust. Een culturele toe-eigening die getuigt van angst, van arrogantie, van een stuitende luiheid, een representatie ook van onverschilligheid. / Tilburgers zeiken niet meer in een kruik, ze urineren in een geëmailleerd toilet. Tilburg is allang geen textielstad meer, Tilburg is veeleer een onderwijsstad, een universiteitsstad, een horecastad, een muziekstad. Stop dus met het en masse uitdelen van worstenbroodjes en het vieren van de levenslieddictatuur. Er zijn genoeg Tilburgers die wél van wollige, omslachtig geformuleerde volzinnen houden. En er zijn ook genoeg Tilburgers die níét van ‘normaal doen’ houden, die willen afwijken van het veilige midden, die buitenbeentjes waarderen. En gelukkig maar. / Het beeldmerk van Tilburg is overigens beschermd, vervormingen zijn niet toegestaan. De T moet altijd wit zijn – wat is er mis met een kleurtje? En het vlak om de witte T is vast onderdeel van het logo, de letter mag niet afzonderlijk worden gebruikt. / Ik vraag me af wat er met de overtreders gebeurt? Het zou natuurlijk sjiek zijn als ze een gevangenisstraf zouden krijgen, maar dat is waarschijnlijk niet het geval. Ze krijgen een waarschuwing, en als ze dan nog niet luisteren, moeten ze met een kroontjespen en galnoteninkt de volgende zin honderd keer overschrijven in Vincents Tekenlokaal: / Wezenskenmerken als ‘daadkracht’ en ‘doe maar gewoon’ moeten goed voor het voetlicht komen; ze bepalen in belangrijke mate het ‘gezicht’ van de stad. / Terug naar ‘de Tao van de T’. Ik zal de komende twee jaar verschillende kunstdisciplines bij mijn plannen betrekken – poëzie is meer dan woorden, meer dan versregels. Althans dat hoop ik. Het is niet de bedoeling dat de odyssee ergens halverwege het karakter aanneemt van een exodus. We zullen zien. Dood gaan we toch, in de gloria of via de achterdeur. / Elke maand verschijnt er een gedicht én een adoptie/adaptatie. Dat laatste door telkens een andere Tilburgse kunstenaar – 24 in totaal dus. De adaptaties worden waar mogelijk live gepresenteerd en gefilmd – dat laatste neemt Tom Pijnenburg voor zijn rekening, ook wel bekend als de Virtuele Raspoetin . De performances worden meestal aangekondigd, maar soms ook niet. De gedichten, performances en aankondigingen zullen te vinden zijn op de site www.detaovandet.nl. / Ik zal mijn stadsdichterschap dus niet afsluiten met het presenteren van een papieren bundel – de geboorte van een stadsdichtersbundel is in de meeste gevallen tegelijkertijd de bijzetting ervan –, maar met het afleveren van een artistiek hoogwaardige en hopelijk inspirerende site. / De gedichten bevatten overigens de nodige subliminale boodschappen. U kunt dit opvatten als een waarschuwing of als een uitnodiging. Kijk maar. / Tot slot een zakelijke opmerking. Naast de vorstelijke vergoeding die ik ontvang voor mijn werk als stadsdichter heb ik de beschikking over een budget dat ik kan besteden aan het organiseren van enkele evenementen. Dat bescheiden budget gebruik ik om de kunstenaars waarmee ik ga samenwerken te betalen. Omdat ik ze fatsoenlijk wil honoreren, het zijn tenslotte professionals, is het budget niet toereikend. Donaties zijn dus welkom, mijn IBAN staat vermeld op de site – en ik beloof dat het geld volledig naar de kunstenaars gaat. / Ik heb nog een tweede financieringsbron. Elk van de gedichten verschijnt in een met de Risoprinter gedrukte oplage van vijftig stuks, genummerd en gesigneerd. Ze zijn te koop bij boekhandel Livius De Zevensprong voor € 10,- per stuk. / Het eerste stadsgedicht verschijnt vandaag in een afwijkende oplage (honderd exemplaren) en het is bovendien gratis, bij wijze van opwarmertje – met dank aan de Stichting Cools. De typografie is van Jeroen de Leijer, ook met dank aan de Stichting Cools. / En een derde financieringsbron: het gelegenheidsgedicht. Bestel er gerust eentje, al zal dat prijzig zijn, marktconform. De Nederlandse economie floreert. Al profiteert helaas niet iedereen daarvan, ook de voedselbank groeit. En het aantal daklozen neemt toe. / Het moment suprême is eindelijk aangebroken, de presentatie van het eerste stadsgedicht. Ik zal het niet voorlezen, ik ga er naar luisteren, het is dienstbaar aan de kunstenaar die zich erover heeft ontfermd. / Voor de aftrap heb ik iemand gekozen die ik zeer bewonder: Frank Crijns. Ik ken weinig muzikanten die zo avontuurlijk, bevlogen en veelzijdig zijn als hij – als componist en als gitarist. Ambient, avantgarde, beiaard, impro, jazz, kamermuziek, metal, modern klassiek, noise, prog, punk, rock – hij bestrijkt vrijwel het hele muzikale spectrum. En al zijn werk draagt het typische Frank Crijns stempel: dwars, innovatief, spannend, transgressief. / Hij heeft op verschillende continenten gespeeld, zijn werk is uitgevoerd door gerenommeerde ensembles en geroemd in binnen- en buitenland. Met zijn band Blast speelde hij in The Kitchen in New York en was daar even the talk of the town. In Tilburg, al meer dan dertig jaar zijn habitat, krijgt hij echter moeilijk voet aan de grond. Het Makersfonds heeft afgelopen jaar zijn subsidieverzoek afgewezen: hij wilde samenwerken met een visual artist uit Arnhem, en dat past niet binnen de criteria. / Ik voel me vereerd dat Frank zich heeft ontfermd over het eerste stadsgedicht en geef hem nu graag het podium.